ECLI:NL:CRVB:2018:2120
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen beleidsregel collectieve zorgverzekering minima
Appellant maakte bezwaar tegen de opname in de Regeling bijzondere bijstand van een compensatiemogelijkheid via een collectieve zorgverzekering voor chronisch zieken en gehandicapten, aangeboden door zorgverzekeraars CZ en VGZ. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het een beleidsregel betreft waartegen geen bezwaar mogelijk is. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat het college wel een besluit had genomen waartegen bezwaar mogelijk was en dat het niet behandelen van zijn bezwaar in strijd was met artikel 13 van Pro het VN-Gehandicaptenverdrag. Tevens stelde hij dat de beleidsregel onrechtmatig was vanwege de verplichte zorgverzekering bij CZ of VGZ en de inkomensgrens.
De Raad oordeelde dat appellant geen besluit in de zin van de Awb kon aanwijzen waarbij de beleidsregel was toegepast, zodat exceptieve toetsing niet aan de orde was. Het beroep op het VN-Gehandicaptenverdrag faalde omdat het verdrag ten tijde van het bestreden besluit nog niet door Nederland was geratificeerd. Het bezwaar was terecht niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de beleidsregel is terecht niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep wordt verworpen.