ECLI:NL:CRVB:2018:2110
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onweerlegbaar rechtsvermoeden gezamenlijke huishouding na huwelijk
Appellante ontving bijstand als alleenstaande tot 30 september 2015, waarna het college de bijstand introk op grond van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding met haar ex-partner M. Dit vermoeden is gebaseerd op het feit dat zij samen op hetzelfde adres wonen en uit hun huwelijk kinderen zijn geboren. De zolderetage die appellante bewoont, wordt niet als zelfstandige woonruimte beschouwd vanwege het ontbreken van noodzakelijke voorzieningen.
Appellante heeft tegen de intrekking bezwaar gemaakt en later opnieuw bijstand aangevraagd, welke aanvraag door het college werd afgewezen met dezelfde motivering. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van toepassing is en dat appellante geen beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij geen gezamenlijke huishouding voert, dat de zolder een zelfstandige woonruimte is of anders een zelfstandige kamer, en dat het college haar eerder wel bijstand had verleend. De Raad oordeelde dat deze gronden onvoldoende zijn om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. Ook indien zij als inwonend wordt beschouwd, blijft het onweerlegbaar rechtsvermoeden van toepassing omdat het hoofdverblijf in dezelfde woning is.
De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen; bijstandsaanvraag wordt geweigerd wegens gezamenlijke huishouding.