ECLI:NL:CRVB:2018:2000

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juli 2018
Publicatiedatum
3 juli 2018
Zaaknummer
14-5834 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming bestuursorgaan

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam gaf aan de bezwaren van appellante geheel te willen honoreren en nam een gewijzigde beslissing op bezwaar. Naar aanleiding hiervan trok appellante het hoger beroep in en verzocht de Raad het college te veroordelen in de proceskosten.

De Raad stelde vast dat het college reeds kosten had vergoed in de bezwaarfase en beoordeelde daarom alleen de kosten die in beroep en hoger beroep waren gemaakt. Op grond van de toepasselijke artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht werd het college veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 1.503,-.

De uitspraak werd gedaan door voorzitter W.F. Claessens en griffier N.L. Kuipers op 3 juli 2018. Het onderzoek ter zitting werd achterwege gelaten vanwege de intrekking van het hoger beroep.

Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot betaling van € 1.503,- aan proceskosten aan appellante na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

Datum uitspraak: 3 juli 2018
14/5834 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
12 september 2014, 14/1510 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Karkache, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 26 april 2018 heeft het college te kennen gegeven dat het voornemens is om de bezwaren van appellante gegrond te verklaren.
Het college heeft op 4 juni 2018 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Naar aanleiding van de brief van 26 april 2018 heeft mr. Karkache bij brief van 9 mei 2018 namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het college met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 4 juni 2018 geheel aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
Aangezien het college reeds heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase, moet de Raad nog slechts oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten.
De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op
€ 1.002,- in beroep en € 501,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellante zich rechtstreeks tot het college wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.503,-.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van N.L. Kuipers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2018.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) N.L. Kuipers

LO