ECLI:NL:CRVB:2018:197
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontslag op andere gronden wegens verstoorde arbeidsverhouding en onvoldoende re-integratie
Appellant was sinds 1999 in dienst bij de gemeente en vervulde diverse functies, waarbij hij vanaf 2003 als herplaatsbaar ambtenaar werd aangemerkt. Ondanks meerdere tijdelijke functies en intensieve begeleiding, waaronder outplacementtrajecten, slaagde appellant er niet in een vaste passende functie te vinden. Het college verleende hem per 1 december 2015 ontslag op andere gronden wegens een impasse veroorzaakt door zijn houding en gedrag, en het niet voldoende meewerken aan re-integratie.
Appellant voerde aan dat het ontslag niet gegrond was en dat hij zich redelijk had opgesteld. Hij beriep zich op het Sociaal Statuut en stelde dat het ontslag niet grotendeels aan hem te wijten was. De Raad oordeelde dat de resultaatverplichting van het Sociaal Statuut was geëindigd en dat het ontslag niet het gevolg was van een reorganisatie maar van een verstoorde arbeidsverhouding.
De Raad stelde vast dat appellant zich passief opstelde, onvoldoende communiceerde en zich niet aan afspraken hield, wat leidde tot spanningen en een schriftelijke waarschuwing. Ondanks kansen en begeleiding was het gedrag van appellant de oorzaak van de impasse. Daarom was het college gerechtigd het ontslag te verlenen en de na-wettelijke uitkering te weigeren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het ontslag bevestigd wegens duurzame verstoring van de arbeidsverhouding door appellant.