Uitspraak
17.1923 MAW, 17/2700 MAW
OVERWEGINGEN
26 juni 2014 in het belang van de dienst.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als militair, werd ontslagen wegens ernstig wangedrag, waaronder mishandeling van zijn ex-vriendin, vlucht voor politie en het afleggen van onware verklaringen tijdens hoorzittingen. Eerder waren al ambtsberichten vastgesteld wegens wangedrag in 2013 en 2014.
De rechtbank had het beroep deels gegrond verklaard vanwege een te korte ontslagtermijn en onvoldoende gelegenheid tot zienswijze, en stelde de ingangsdatum van het ontslag uit. De Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak en verklaart het beroep ongegrond.
De Raad oordeelt dat het ontslag proportioneel is gezien de ernst van het wangedrag en de bijzondere positie van appellant binnen een organisatie met politietaken. Het gelijkheidsbeginsel en verbod van willekeur zijn niet geschonden, mede omdat vergelijkbare gevallen niet gelijk zijn. De Raad stelt dat appellant voldoende gelegenheid heeft gehad zijn zienswijze te geven en dat de ontslagtermijn conform het AMAR is toegepast.
Het incidenteel hoger beroep van de staatssecretaris wordt toegewezen, waarmee het ontslag in stand blijft. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het ontslagbesluit wordt ongegrond verklaard en het ontslag blijft in stand.