Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2018:193

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 januari 2018
Publicatiedatum
22 januari 2018
Zaaknummer
17/3085 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 3:41 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens overschrijding bezwaartermijn bevestigd

De Sociale verzekeringsbank (Svb) verklaarde het bezwaar van betrokkene tegen een besluit van 13 augustus 2015 niet-ontvankelijk omdat het bezwaar te laat was ingediend. Betrokkene had bezwaar gemaakt tegen een verklaring van schuldig nalatig zijn voor het niet volledig betalen van premie over een periode in 2007.

De rechtbank had het bezwaar gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat het besluit op de verzenddatum was verzonden. In hoger beroep stelde de Svb dat het besluit wel degelijk op 13 augustus 2015 was verzonden, ondersteund door administratieve gegevens en de gebruikelijke werkwijze.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het niet in geschil was dat het besluit aan betrokkene was toegezonden en dat betrokkene het besluit had ontvangen. Er was ook geen reden om te twijfelen aan de verzenddatum. Hierdoor begon de bezwaartermijn op 14 augustus 2015 en eindigde op 25 september 2015. Het bezwaar werd pas op 30 december 2015 ontvangen en was daarmee te laat.

Er was geen sprake van omstandigheden die het verzuim konden rechtvaardigen. De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was. De toepassing van artikel 8:75 Awb Pro werd niet relevant geacht.

Uitkomst: Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

Uitspraak

17/3085 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
10 maart 2017, 16/3238 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (appellant)
[betrokkene] te [woonplaats], Suriname (betrokkene)
Datum uitspraak: 19 januari 2018
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft het beroepschrift doorgezonden aan de Raad.
Namens betrokkene heeft [naam] een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2017. Namens appellant is
drs. W. van den Berg verschenen. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam].

OVERWEGINGEN

1. Met een besluit van 13 augustus 2015 heeft appellant betrokkene laten weten dat hij over de periode 1 januari 2007 tot en met 17 oktober 2007 voor 100% schuldig nalatig wordt verklaard, omdat hij de premie niet (volledig) heeft betaald. Met een brief gedateerd
16 december 2015, door de Svb ontvangen op 30 december 2015, heeft appellant hiertegen bezwaar gemaakt. Als verklaring voor het te laat maken van bezwaar heeft appellant vermeld dat hij het besluit van 13 augustus 2015 pas op 11 december 2015 per reguliere post had ontvangen. Met een besluit van 11 april 2016 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.
2. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat het besluit van 13 augustus 2015 niet aangetekend is verzonden en dat het dus aan appellant is aannemelijk te maken dat het besluit ook op die datum is verzonden. Appellant is hier niet in geslaagd. Betrokkene heeft kort na de ontvangst van het besluit bezwaar gemaakt, zodat dit ontvankelijk is.
3. In hoger beroep meent appellant dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit op 13 augustus 2015 naar het juiste adres is verzonden. Daarbij verwijst hij naar de vaste wijze van aanmaken en verzenden van besluiten, ondersteund door administratieve gegevens. Ook benadrukt appellant dat betrokkene op andere brieven in de regel tijdig reageert.
4.1.
Ingevolge artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift of een beroepschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen.
4.2.
Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 6 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM5975 is aan de wettelijke voorwaarden voor het aanvangen van de bezwaartermijn voldaan indien niet in geschil is dat het besluit aan het adres van betrokkene is verzonden, betrokkene niet heeft betwist dat hij dat besluit heeft ontvangen en er voorts geen aanleiding is te betwijfelen dat het besluit daadwerkelijk op de aangegeven verzenddatum is verzonden.
4.3.
In het voorliggende geval is niet in geschil dat het besluit van 13 augustus 2015 aan betrokkene is toegezonden en dat hij het besluit heeft ontvangen. Er bestaat voorts geen aanleiding te betwijfelen dat het besluit daadwerkelijk op 13 augustus 2015 is verzonden. Hiervoor wordt van belang geacht de door de Svb gegeven nadere verklaring van de werkwijze van het aanmaken en het verzenden van primaire besluiten, alsmede een nadere uitleg over de in het besluit opgenomen administratieve gegevens over degene die het besluit aanmaakt en de data van aanmaken en verzenden.
4.4.
Nu aannemelijk is dat het besluit van 13 augustus 2015 op die dag is verzonden, is de bezwaartermijn gaan lopen op 14 augustus 2015 en eindigde deze op 25 september 2015. Het bezwaarschrift is gedateerd 16 december 2015 en is op 30 december 2015 door de Svb ontvangen. Het bezwaar is derhalve te laat ingediend. Niet is gebleken van een feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Awb, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat betrokkene in verzuim is geweest. De Svb heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de rechtbank het beroep ten onrechte gegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak zal dan ook vernietigd worden.
5. Voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2018.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) H. Achtot
IvR