Uitspraak
25 oktober 2016, 16/2223 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant diende op 9 september 2015 een aanvraag om bijstand in bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Het college verstrekte aanvankelijk een voorschot, maar wees de aanvraag later af en vorderde het voorschot terug omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt waarop hij leefde voorafgaand aan de aanvraag.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij leefde van handel in oud ijzer, oud papier en auto-onderdelen, en overhandigde enkele facturen en huurkaarten van een marktkraam. De Raad oordeelde echter dat appellant geen objectief en verifieerbaar bewijs had geleverd van zijn inkomsten en werkzaamheden, ook niet met verklaringen van familieleden die hem hielpen met eten, onderdak en geld.
De Raad stelde dat ook iemand met een zwervend bestaan moet voldoen aan de inlichtingenplicht door controleerbare gegevens te verstrekken. Omdat appellant niet aannemelijk maakte dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde, werd het beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd wegens onvoldoende inzicht in de financiële situatie van appellant.