ECLI:NL:CRVB:2018:1712

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 mei 2018
Publicatiedatum
11 juni 2018
Zaaknummer
17/3431 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PWArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor huur- en inrichtingskosten wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Appellant, die sinds 2009 bijstand ontving, vroeg bijzondere bijstand aan voor kosten in verband met een verhuizing in september 2015. Het college wees deze aanvraag af omdat deze kosten als algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan worden beschouwd en uit het eigen inkomen betaald moeten worden. Er waren geen bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat deze kosten via bijzondere bijstand worden gedekt.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de verhuizing onverwacht en noodzakelijk was en dat hij vanwege schulden niet had kunnen reserveren. De Raad oordeelde dat de verhuizing niet onverwacht was, aangezien appellant al sinds 2009 op het adres woonde en sinds 2012 als woningzoekende stond ingeschreven. Ook het argument van problematische schulden werd verworpen op grond van vaste rechtspraak, die stelt dat schulden geen bijzondere omstandigheid vormen voor bijzondere bijstand.

Daarom bevestigde de Centrale Raad van Beroep het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De aanvraag voor bijzondere bijstand wordt afgewezen wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden en het kunnen reserveren door appellant.

Uitspraak

17.3431 PW

Datum uitspraak: 29 mei 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
14 maart 2017, 16/2221 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.J.C. Engels, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2018. Appellant is, daartoe opgeroepen, verschenen, bijgestaan door mr. Engels. Het college, daartoe opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kindt-Jiawan. Het onderzoek ter zitting is geschorst.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht (nader) ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving sinds 1 juli 2009 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
In verband met een verhuizing heeft appellant op 3 september 2015 bijzondere bijstand aangevraagd voor huur- stofferings- en inrichtingskosten.
1.3.
Bij besluit van 30 september 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 april 2016 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag van appellant afgewezen. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en moeten worden betaald uit het eigen inkomen. Niet is gebleken van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten. Met schulden wordt geen rekening gehouden. Niet aannemelijk is gemaakt dat de verhuizing van appellant dringend noodzakelijk was.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.In artikel 35, eerste lid, van de PW is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
4.2.
De kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd worden gerekend tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Die kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend indien de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.
4.3.
Van dergelijke bijzondere omstandigheden is niet gebleken. Appellant heeft aangevoerd dat hij niet kon reserveren omdat zijn verhuizing in september 2015 onverwacht was. Ook was deze verhuizing volgens appellant noodzakelijk omdat zijn voormalige woning te klein was. Uit de gedingstukken volgt dat appellant al vanaf de toekenning van bijstand in 2009 op dit adres woonde. Hierdoor is geen sprake van een onverwachte situatie. Appellant ontving sinds juli 2009 bijstand en stond sinds 2012 ingeschreven als woningzoekende. Appellant wordt dan ook geacht te hebben kunnen reserveren. Ook in de periode vanaf juli 2015, toen appellant in verband met de kostendelersnorm minder bijstand dan voorheen ontving, moet
hij in staat zijn geweest kleine bedragen te reserveren. Appellant heeft ook aangevoerd dat sprake is van een problematische schuldensituatie. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2318) is het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met schulden en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen geen bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW. De kosten die daarmee verband houden, kunnen niet worden afgewenteld op de PW.
4.4.
Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het college de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand terecht heeft afgewezen. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2018.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) P.C. de Wit

IJ