ECLI:NL:CRVB:2018:1657
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als voorbereider, viel uit wegens rugklachten en werd medisch en arbeidskundig beoordeeld in het kader van de WIA. De verzekeringsarts stelde beperkingen vast, maar concludeerde dat appellant geschikt was voor drie andere functies, waardoor de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Het UWV besloot daarom geen WIA-uitkering toe te kennen.
Appellant voerde bezwaar en beroep aan met het argument dat hij meer beperkingen had dan vastgesteld, onder meer vanwege rugklachten, hooikoorts, een kleurzienstoornis en allergieën, en dat de geselecteerde functies niet geschikt waren. Diverse medische en arbeidskundige rapporten werden overgelegd, waarbij de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige de beperkingen en geschiktheid voor de functies bevestigden.
De rechtbank en vervolgens de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat het besluit op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag berust. De beperkingen zijn niet onderschat en de functies zijn passend, ook rekening houdend met de kleurzienstoornis. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van een WIA-uitkering bevestigd.