De zaak betreft een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Overijssel die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde omdat de echtgenote van betrokkene geen belanghebbende zou zijn. Betrokkene ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor de periode januari tot augustus 2014. Het Zorgkantoor stelde het pgb later lager vast en vorderde een bedrag van € 8.279,06 terug wegens onverschuldigde betaling.
Na het overlijden van betrokkene op 15 november 2015 werd bezwaar gemaakt tegen de terugvordering, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank vond dat de echtgenote geen belanghebbende was omdat zij geen verklaring van erfrecht had overgelegd. In hoger beroep overwoog de Raad dat uit een verklaring van het Centraal Testamentenregister niet blijkt dat de echtgenote geen erfgenaam is, waardoor de niet-ontvankelijkverklaring onterecht was.
De Raad beoordeelde vervolgens het beroep inhoudelijk en oordeelde dat het Zorgkantoor terecht gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid tot terugvordering. Er waren geen omstandigheden die maakten dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot terugvordering had mogen overgaan. Er waren geen onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen aangetoond. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Ten slotte veroordeelde de Raad het Zorgkantoor tot betaling van de proceskosten van appellanten en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.