ECLI:NL:CRVB:2018:1601

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 mei 2018
Publicatiedatum
1 juni 2018
Zaaknummer
16/3417 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22a PWArt. 18, eerste lid, PW
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing kostendelersnorm bij gezamenlijk hoofdverblijf met moeder ondanks zorgbehoefte

Appellant ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet en woont samen met zijn moeder in één woning. Het college heeft zijn bijstand verlaagd op basis van de kostendelersnorm, omdat de moeder als medebewoner wordt aangemerkt met wie appellant de kosten deelt.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat geen uitzonderingssituaties van toepassing zijn die de kostendelersnorm uitsluiten. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij vanwege ernstige psychische problemen zorg nodig heeft van zijn moeder, waardoor de norm niet passend zou zijn.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de aangevoerde gronden een herhaling zijn van eerdere bezwaren die reeds gemotiveerd zijn afgewezen. De Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en wetsgeschiedenis waarin is vastgesteld dat de kostendelersnorm ook geldt bij zorgbehoefte binnen het gezin en dat uitzonderingen strikt zijn.

Daarom wordt het hoger beroep verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de kostendelersnorm blijft van toepassing ondanks de zorgbehoefte van appellant.

Uitspraak

16.3417 PW

Datum uitspraak: 29 mei 2018
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 6 april 2016, 15/6335 en 16/1782 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.A. Namaki, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Mr. G.J.P.C.G. Verheijen heeft zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 16/3418 PW plaatsgevonden op 17 april 2018. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.A. van Wingerden. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontvangt bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10%. Appellant heeft zijn hoofdverblijf in dezelfde woning als zijn moeder.
1.2.
Bij besluit van 29 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 september 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met toepassing van de kostendelersnorm op grond van artikel 22a, eerste lid, van de PW met ingang van 1 juli 2015 verlaagd tot 50% van de norm voor gehuwden, omdat het college de moeder van appellant aanmerkt als medebewoner met wie appellant de kosten kan delen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat niet in geschil is dat appellant en zijn moeder in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben en dat er geen sprake is van een uitzonderingssituatie zoals omschreven in artikel 22a, derde dan wel vierde lid, van de PW, zodat het college gehouden was de kostendelersnorm toe te passen. De wetgever heeft in situaties waarbij één of elk van beide in een woning verblijvende personen behoefte heeft aan zorg de kostendelersnorm expliciet van toepassing verklaard. Het feit dat appellant periodiek gelden overmaakt naar zijn echtgenote in Afghanistan is niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW op grond waarvan het college de bijstand van appellant dient af te stemmen op een hoger bedrag.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Evenals in bezwaar en beroep stelt hij zich op het standpunt dat er redenen zijn om de kostendelersnorm niet op hem van toepassing te verklaren. Als gevolg van ernstige psychische problemen is hij aangewezen op zorg door zijn moeder.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerligging van de in beroep aangevoerde gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig is. De Raad voegt hieraan toe dat hij in zijn uitspraak van 1 november 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3869) heeft geoordeeld dat de PW geen grondslag biedt voor afwijking van de kostendelersnorm op de grond dat toepassing ervan leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Bovendien heeft de wetgever nadrukkelijk overwogen dat de voordelen van het kunnen delen van de kosten met woningdelers los staan van de redenen waarom men de woning deelt. Daarbij heeft de wetgever er bewust voor gekozen om de kostendelersnorm ook van toepassing te laten zijn op personen die hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben als een bloedverwant in de eerste of tweede graad en waarbij sprake is van een zorgbehoefte (Kamerstukken II 2013/2014, 33 801, nr. 19, blz. 15-16). De zorg die appellant stelt te krijgen van zijn moeder kan er daarom op zichzelf niet toe leiden dat het college met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW van de kostendelersnorm afwijkt.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman als voorzitter en A. Stehouwer en
E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van C. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2018.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(gerekend) C. Bon

RH