Appellant ontving sinds 2013 bijstand en werd in 2015 geconfronteerd met een onderzoek naar contante creditcardopnames van €33.000,- op 28 oktober 2014. Het college trok de bijstand in en vorderde terugbetaling wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij slechts €10.200,- had opgenomen namens een kennis en dit bedrag grotendeels had teruggegeven. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet over het geld beschikte, omdat de verklaring van de kennis niet werd ondersteund door verifieerbare gegevens.
De Raad stelde vast dat het niet melden van het bedrag een schending van de inlichtingenplicht opleverde, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Hierdoor was intrekking gerechtvaardigd. Het hoger beroep werd afgewezen en het college werd veroordeeld in de proceskosten.