ECLI:NL:CRVB:2018:157
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verplicht gebruik dienstauto voor ambulante medewerker ondanks bezwaar
Appellant, werkzaam als ambulant medewerker bij een overheidsorganisatie, maakte gebruik van zijn privéauto voor dienstreizen en ontving daarvoor een kilometervergoeding. Na samenvoeging van verschillende organisaties werd een regeling ingevoerd die het gebruik van privéauto's voor dienstreizen verbood en het gebruik van een dienstauto verplicht stelde. Appellant werd verplicht over te stappen op een dienstauto, wat hij betwistte vanwege het financiële nadeel.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant gegrond omdat de minister naliet zijn bedenkingen voor te leggen aan de Tripartiete Commissie Dienstauto’s (TPC). De minister liet appellant alsnog horen door de TPC, die adviseerde het reguliere overgangsbeleid toe te passen zonder maatwerk. De minister handhaafde het besluit om appellant te verplichten een dienstauto te gebruiken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de minister met het bieden van een overgangstermijn van een jaar voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van appellant. De kilometervergoeding was een onkostenvergoeding en geen onderdeel van het salaris. De regeling is niet in strijd met hogere regelgeving en het beleid is zakelijk en niet kennelijk onredelijk. Het beroep van appellant wordt afgewezen en het bestreden besluit bevestigd.
Uitkomst: De verplichting voor appellant om een dienstauto te gebruiken wordt bevestigd en het beroep wordt ongegrond verklaard.