ECLI:NL:CRVB:2018:156
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verplichting overstap naar dienstauto voor ambulant medewerker ondanks privacybezwaar
Appellant, werkzaam als ambulant medewerker bij een overheidsorganisatie, maakte gebruik van een privéauto met kilometervergoeding voor dienstwerk. De minister verplichtte hem op grond van een regeling om over te stappen op een dienstauto, met een overgangstermijn van een jaar. Appellant verzette zich tegen deze verplichting, onder meer vanwege financieel nadeel en privacyzorgen over de aanwezigheid van een blackbox in de dienstauto.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond omdat de minister de bezwaren van appellant niet aan een tripartiete commissie had voorgelegd. Na hernieuwde advisering door deze commissie handhaafde de minister het besluit met een verlengde overgangstermijn. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de minister met het overgangsbeleid voldoende rekening had gehouden met de belangen van appellant. De vergoeding was een onkostenvergoeding en geen loonbestanddeel, en de minister was niet verplicht een dienstauto geschikt voor privégebruik te verstrekken.
De Raad vond de regeling niet in strijd met hogere regelgeving en achtte de verplichting tot gebruik van een dienstauto gerechtvaardigd op basis van veiligheid en uitstraling. De privacy-inbreuk door de blackbox werd niet als onaanvaardbaar beoordeeld, mede omdat privégebruik vrijwillig is en inzage beperkt blijft. De overschrijding van de beslistermijn leidde niet tot onrechtmatigheid. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De verplichting tot overstap op een dienstauto wordt bevestigd, met voldoende overgangstermijn en zonder onaanvaardbare privacy-inbreuk.