ECLI:NL:CRVB:2018:1555

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 mei 2018
Publicatiedatum
29 mei 2018
Zaaknummer
17/5581 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8 EVRMArt. 10 GrondwetArt. 6:106 BW
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging dat onaangekondigd huisbezoek feitelijke handeling is en niet vatbaar voor bezwaar of beroep

Appellante heeft bij de gemeente Súdwest Fryslân bijstand aangevraagd en daarbij een adres opgegeven waar zij met haar kinderen woont. Naar aanleiding van een anonieme melding heeft de gemeente op 2 november 2016 een onaangekondigd huisbezoek afgelegd, waarvoor appellante toestemming gaf en een formulier ondertekende.

Appellante maakte bezwaar tegen het huisbezoek, maar het college verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat het huisbezoek een feitelijke handeling betreft en geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze beslissing ongegrond.

In hoger beroep voerde appellante aan dat het huisbezoek een publiekrechtelijke rechtshandeling is die inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer en daarom wel vatbaar zou moeten zijn voor bezwaar en beroep. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het huisbezoek een feitelijke handeling is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd verworpen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bezwaar tegen het onaangekondigde huisbezoek is niet-ontvankelijk.

Uitspraak

17.5581 PW

Datum uitspraak: 22 mei 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland
van 19 juli 2017, 17/541 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Súdwest Fryslân (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft W. de Boer hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2018. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.G. Hoekstra.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante heeft op zich op 1 oktober 2016 gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Participatiewet en heeft deze aanvraag op 1 november 2016 ingediend. In het kader van deze aanvraag heeft appellante opgegeven dat zij met haar twee kinderen woont
op het adres [adres] (opgegeven adres).
1.2.
Naar aanleiding van een anonieme melding, hebben medewerkers van de gemeente Súdwest Fryslân op 2 november 2016 een onaangekondigd huisbezoek afgelegd aan het opgegeven adres. Appellante heeft toestemming gegeven voor het afleggen van een huisbezoek en heeft het formulier toestemming huisbezoek ingevuld en ondertekend.
1.3.
Appellante heeft op 12 december 2016 bezwaar gemaakt tegen het onaangekondigde huisbezoek van 2 november 2016.
1.4.
Bij besluit van 20 januari 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat er geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het afleggen van een huisbezoek moet worden beschouwd als een feitelijke handeling. Een feitelijke handeling is geen publiekrechtelijke rechtshandeling en derhalve niet vatbaar voor bezwaar en beroep.
1.5.
Het college heeft aan appellante met ingang van de meldingsdatum bijstand verleend.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank als volgt overwogen, waarbij appellante als eiseres en het college als verweerder is aangeduid:
“Ingevolge artikel 1:3 van Pro de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat een onaangekondigd huisbezoek een feitelijke handeling is die op zichzelf niet vatbaar is voor bezwaar of beroep. Dit betekent dat verweerder het bezwaarschrift dat was gericht tegen het onaangekondigde huisbezoek terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.”
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft, samengevat, aangevoerd dat het besluit tot een huisbezoek een publiekrechtelijke rechtshandeling is, gericht op rechtsgevolg. Dit huisbezoek heeft inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 10, eerste lid, van de Grondwet en is een aantasting van de persoon in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van
wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2018.
(getekend) G.M.G. Hink
De griffier is verhinderd te ondertekenen.

LO