ECLI:NL:CRVB:2018:1551
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering wegens thuiswonende status
Appellante ontving vanaf 1 september 2015 studiefinanciering op basis van de norm voor uitwonende studenten. Na een onderzoek door controleurs in opdracht van de minister werd geconcludeerd dat appellante feitelijk als thuiswonende moest worden aangemerkt. De minister herzag daarop de studiefinanciering met terugwerkende kracht en vorderde een bedrag van €2.680,14 terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze herziening ongegrond, stellende dat het onderzoeksrapport een voldoende grondslag bood voor de herziening. In hoger beroep voerde appellante aan dat de rechtbank onterecht tot deze conclusie was gekomen, maar bracht geen wezenlijk nieuwe gronden aan.
De Raad overwoog dat het niet aannemelijk was dat appellante daadwerkelijk haar hoofdverblijf had op het geregistreerde adres, mede gelet op het ontbreken van persoonlijke spullen en haar eigen verklaringen over verblijf elders. De verklaring van een schoolmaatschappelijk werker bood geen nieuwe inzichten. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de herziening van studiefinanciering met terugvordering wordt bevestigd.