ECLI:NL:CRVB:2018:154

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 januari 2018
Publicatiedatum
18 januari 2018
Zaaknummer
17/3945 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 4:6 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens ontbreken rechtsgevolg besluit

Appellant, voormalig docent die eervol ontslag kreeg wegens functieverlies, verzocht meerdere malen om schadevergoeding. Deze verzoeken werden afgewezen en zijn besluiten zijn inmiddels onherroepelijk.

Op 22 augustus 2013 diende appellant een aanvraag in waarvoor hij een ontvangstbevestiging kreeg. Het college bevestigde de ontvangst in een brief van 23 augustus 2013, die geen rechtsgevolg bevatte. Het college wees de aanvraag op 10 september 2013 af.

Appellant stelde beroep in tegen de ontvangstbevestiging, maar dit werd door de rechtbank als bezwaar aangemerkt en niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief geen besluit met rechtsgevolg was. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en wijst het hoger beroep af.

Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de ontvangstbevestiging wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat deze geen besluit met rechtsgevolg is.

Uitspraak

17/3945 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
24 april 2017, 16/4488 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van De Fryske Marren als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân (college)
Datum uitspraak: 18 januari 2018
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2017. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E. de Jager.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is werkzaam geweest als [docent] van een [school]. Met ingang van 1 januari 1990 is hem eervol ontslag verleend wegens opheffing van zijn functie. Appellant heeft op 28 december 1994 verzocht om vergoeding van de door hem in verband met het verlies van zijn werk geleden schade. Het college heeft dat verzoek bij besluit van 6 februari 1995 afgewezen. Daarna heeft appellant het college nog enkele malen verzocht om schadevergoeding. Het college heeft deze verzoeken aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 6 februari 1995 en deze onder verwijzing naar dat besluit op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen. De besluiten hierover zijn inmiddels in rechte onaantastbaar geworden.
1.2.
Op 22 augustus 2013 heeft appellant om 13.57 uur bij de balie van het gemeentehuis te Joure een aanvraag claim A of claim B ingediend. Daarvan heeft hij direct een met de hand ingevulde ontvangstbevestiging gekregen. Vervolgens is appellant bij brief van 23 augustus 2013 onder meer meegedeeld dat het college zijn brief in goede orde heeft ontvangen op
23 augustus 2013.
1.3.
Bij besluit van 10 september 2013 heeft het college appellants aanvraag claim A of claim B op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb afgewezen.
1.4.
Op 25 augustus 2016 heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank tegen de brief van 23 augustus 2013. De rechtbank heeft het beroepschrift aangemerkt als een bezwaarschrift en aan het college doorgezonden.
1.5.
Bij besluit van 28 september 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de brief van
23 augustus 2013 geen op rechtsgevolg gericht besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
De vraag die de Raad moet beantwoorden is of de brief van 23 augustus 2013 een besluit bevat als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Ingevolge deze bepaling wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Met het begrip rechtshandeling wordt gedoeld op een handeling gericht op rechtsgevolg.
3.2.
Met de rechtbank moet worden geoordeeld dat in de brief van 23 augustus 2013 de ontvangst van de aanvraag van appellant wordt bevestigd en dat deze brief niet is gericht op enig rechtsgevolg. Van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is dus geen sprake.
3.3.
Anders dan appellant meent, is het bestreden besluit niet aan te merken als een weigering om op de aanvraag van 22 augustus 2013 te beslissen. Op die aanvraag is al bij besluit van
10 september 2013 beslist en het bezwaarschrift van 25 augustus 2016 is evident niet gericht tegen dat besluit. De gronden die appellant in hoger beroep tegen het besluit van 10 september 2013 heeft aangevoerd vallen dan ook buiten de omvang van dit geding.
3.4.
Uit 3.1 tot en met 3.3 volgt dat hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspaak moet worden bevestigd.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2018.
(getekend) J.J.A. Kooijman
(getekend) L.V. van Donk

HD