ECLI:NL:CRVB:2018:1519
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam als installatiemonteur en viel uit vanwege gewrichtspijn. Na de wachttijd van 104 weken vroeg hij een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat hij meer beperkingen heeft dan vastgesteld, met name bij repeterende handelingen en houdingen, en dat hij last heeft van medicatiebijwerkingen. De Raad benoemde een onafhankelijke reumatoloog, die concludeerde dat de beperkingen juist waren vastgesteld en geen aanleiding gaf tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid.
De Raad oordeelde dat het rapport van de deskundige zorgvuldig en consistent was en dat het UWV de belastbaarheid juist had vastgesteld. De geselecteerde functies zijn geschikt voor appellant. Er was geen reden om een andere deskundige te benoemen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering.