Uitspraak
16.1819 WIA
OVERWEGINGEN
24 februari 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Centrale Raad van Beroep
Appellant viel in november 2012 uit wegens long-, nek- en rugklachten en ontving aanvankelijk een Ziektewetuitkering. In augustus 2014 vroeg hij een WIA-uitkering aan, maar het UWV stelde bij besluit vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. Dit besluit werd bij bezwaar gehandhaafd en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de functionele mogelijkhedenlijst (FML) juist was vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn longziekte (COPD stadium 2) en psychische klachten onvoldoende waren meegewogen. Ook stelde hij dat de geselecteerde functies ongeschikt waren vanwege werkomstandigheden zoals stof en temperatuur. De Raad concludeerde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig onderzoek had gedaan, inclusief een hoorzitting en aanvullend medisch onderzoek, en dat de FML adequaat was aangepast op basis van medische informatie.
De Raad vond geen aanwijzingen dat de beperkingen waren onderschat en achtte de geselecteerde functies geschikt, mede omdat eenvoudig computergebruik binnen zes maanden kon worden aangeleerd en de werkomstandigheden niet de door appellant genoemde nadelen vertoonden. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.