ECLI:NL:CRVB:2018:1370
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongeschiktheid voor WIA-uitkering na herbeoordeling door UWV
Appellante meldde zich in mei 2012 ziek met psychische klachten en ontving destijds een WW-uitkering. Het UWV stelde in april 2014 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geen recht had op een WIA-uitkering. Na meerdere ziekmeldingen en medische beoordelingen, waaronder na een auto-ongeval in december 2014, werd zij per 3 augustus 2015 geschikt geacht voor diverse functies op basis van een aangepaste Functionele mogelijkhedenlijst.
Het UWV weigerde ziekengeld op grond van de Ziektewet en verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel en vond geen aanleiding om het medisch oordeel te betwijfelen. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen werden onderschat en dat zij niet in staat was de geduide functies te verrichten, onderbouwd met een ondersteuningsplan en psychologische rapportages.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante geschikt bleef voor de geselecteerde functies en dat er geen aanwijzingen waren voor verdere psychische beperkingen. De Raad onderschreef de motivering van de rechtbank en het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.