ECLI:NL:CRVB:2018:1362
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen werkzaamheden als rechter in buitenland
Appellant ontving bijstand tot 1 juli 2012, waarna het college deze introk omdat appellant recht had op ouderdomspensioen. Tijdens een opsporingsonderzoek naar sociale zekerheidsfraude werd vastgesteld dat appellant mogelijk als rechter in het buitenland werkte terwijl hij bijstand ontving. Dit werd onderbouwd met een dienstpaspoort waarop 'judge' stond vermeld.
Het college trok de bijstand over de periode 29 oktober 2009 tot en met 30 juni 2012 in en vorderde €46.554,53 terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat het college niet mocht aannemen dat hij als rechter werkte op basis van het paspoort en zijn reisgedrag, en dat hij na 2010 vanwege pensioenleeftijd niet meer als rechter kon werken.
De Raad oordeelde dat het college terecht op de informatie van de Nederlandse ambassade kon vertrouwen dat een dienstpaspoort alleen wordt verstrekt aan actieve hoge ambtenaren, waaronder rechters. Verklaringen van appellant en derden konden dit niet weerleggen. Ook het pensioenargument faalde wegens onvoldoende bewijs. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek tot schadevergoeding werd geweigerd.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en terugvordering worden bevestigd; het hoger beroep en het verzoek tot schadevergoeding worden afgewezen.