ECLI:NL:CRVB:2018:1334

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 mei 2018
Publicatiedatum
3 mei 2018
Zaaknummer
15/5871 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51 Vo 883/2004Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens niet-verzekerd zijn

Appellant, met de Nederlandse nationaliteit, heeft in het Verenigd Koninkrijk gewoond en gewerkt en heeft in 2014 een WIA-uitkering aangevraagd wegens arbeidsongeschiktheid door colitis ulcerosa. De aanvraag werd afgewezen omdat appellant niet verzekerd was voor de Wet WIA in Nederland op het moment van arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank Amsterdam oordeelde dat appellant niet verzekerd was omdat hij niet als werknemer of zelfstandige in Nederland werkzaam was, ondanks dat hij hier enige tijd woonde. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en verwijst naar artikel 51, derde lid, van Verordening 883/2004, dat stelt dat een uitkering alleen kan worden toegekend indien de betrokkene verzekerd was volgens de nationale wetgeving.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij ziek is en geen inkomen heeft, maar dit leidt niet tot een ander oordeel. De Raad concludeert dat appellant geen recht heeft op een (gedeeltelijke) WIA-uitkering en bevestigt de eerdere uitspraak. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Appellant heeft geen recht op een WIA-uitkering omdat hij niet verzekerd was voor de Wet WIA op het moment van arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

15.5871 WIA

Datum uitspraak: 3 mei 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
15 juli 2015, 15/1365 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats], Verenigd Koninkrijk (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2018. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij heeft tussen 2007 en 2011 in [woonplaats] (Groot-Brittannië) gestudeerd en zijn diploma gehaald. In 2014 heeft hij enige tijd in Nederland gewoond, waarna hij naar Groot-Brittannië is teruggekeerd. Op
28 augustus 2014 heeft hij een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd, wegens de op 12 maart 2014 ingetreden arbeidsongeschiktheid door colitis ulcerosa. Daarbij heeft hij aangegeven van 3 februari 2014 tot 12 mei 2014 in het Verenigd Koninkrijk te hebben gewerkt bij [dienstonderdeel UK].
1.2.
De aanvraag is met een besluit van 3 oktober 2014 afgewezen. Het Uwv heeft daarbij overwogen dat appellant ten tijde van het intreden van de arbeidsongeschiktheid niet verzekerd was voor de WIA. Evenmin kan appellant aan Verordening (EG) nr. 883/2004
(Vo 883/2004) recht op een uitkering ontlenen, nu één van de voorwaarden daarvoor is dat appellant aan de Nederlandse wettelijke regelingen onderworpen is geweest als werknemer en/of zelfstandige. Aan die voorwaarde voldoet appellant niet. Bij beslissing op bezwaar van
19 februari 2015 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid niet verzekerd was voor de Wet WIA, nu hij niet in Nederland werkzaam was. Appellant heeft in het verleden in Nederland gewoond, maar hij is nooit verzekerd geweest voor de Wet WIA. Dat betekent dat hij, zelfs als hij op grond van de Europese regelgeving gelijkgesteld moet worden met iemand die wel verzekerd was voor de Wet WIA, geen recht kan hebben op een (aanvullende) Wet WIA-uitkering.
3. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij ziek is en geen enkele vorm van inkomen heeft. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant naar nationaal recht niet verzekerd is geweest voor de Wet WIA. Hij is weliswaar woonachtig geweest in Nederland, maar is hier niet als werknemer of zelfstandige werkzaam geweest. Op het moment van het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid was hij werkzaam in het Verenigd Koninkrijk. Op grond van artikel 51, derde lid, van Vo 883/2004 kan appellant dan geacht worden ook in aanmerking te kunnen komen voor een (pro-rata) uitkering op grond van de Wet WIA, voor zover hij voldoet aan de overige voorwaarden. Eén van deze voorwaarden is dat hij verzekerd moet zijn geweest voor de Wet WIA. Omdat hij dat niet is geweest, kan hij niet in aanmerking komen voor een (gedeeltelijke) Wet WIA-uitkering, ongeacht zijn medische situatie.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat de aangevallen uitspraak bevestigd zal worden.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2018.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) H. Achtot

TM