Uitspraak
16.5410 WIA
8 juli 2016, 16/153 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, die sinds 2010 arbeidsongeschikt is door een CVA, werd door het UWV herbeoordeeld in het kader van haar WIA-uitkering. Het UWV stelde vast dat zij per 16 juni 2015 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde haar uitkering. Appellante maakte bezwaar en stelde dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, onder meer vanwege een taalbarrière en onvoldoende beoordeling van haar klachten.
De rechtbank Oost-Brabant oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, mede doordat appellante werd bijgestaan door een tolk en een vriendin die konden vertalen. De rechtbank vond geen aanwijzingen dat de beperkingen van appellante waren onderschat en onderschreef de arbeidskundige beoordeling van het UWV.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze conclusie. De Raad stelt vast dat het ontbreken van een professionele tolk het onderzoek niet heeft belemmerd, dat de medische rapporten consistent en inzichtelijk zijn, en dat de klachten van appellante adequaat zijn betrokken. Ook de korte duur van het onderzoek vormt geen grond voor onzorgvuldigheid.
De Raad concludeert dat de Functionele Mogelijkhedenlijst van februari 2015 de beperkingen van appellante voldoende weerspiegelt en dat de geselecteerde functies medisch passend zijn. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd.