ECLI:NL:CRVB:2018:1324
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als assistent begeleider van verstandelijk gehandicapten, meldde zich ziek in mei 2013 met klachten waaronder burn-out, hartritmestoornis en hypermobiliteitsyndroom. Na een onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) de beperkingen juist weergaf. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen niet juist waren vastgesteld en overhandigde aanvullende medische rapporten.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep paste de FML aan op het gebied van huidcontact, wat leidde tot het vervallen van een functie, maar de mate van arbeidsongeschiktheid bleef onder de 35%. De Raad oordeelde dat de uitgebreidere beperkingen die appellante wenste niet werden ondersteund door medische gegevens van haar behandelaars en dat nader onafhankelijk onderzoek niet nodig was.
Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk niet deugdelijke motivering bevatte, werd dit onder toepassing van de wet gepasseerd omdat appellante hierdoor niet benadeeld was. De Raad bevestigde het bestreden besluit en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Geen recht op WIA-uitkering omdat de beperkingen medisch passend zijn en de arbeidsongeschiktheid onder 35% blijft.