ECLI:NL:CRVB:2018:1305
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging recht op ziekengeld na eerstejaars ZW-beoordeling
Appellant was tot april 2013 werkzaam als metaalbewerker en ontving na beëindiging van het dienstverband een WW-uitkering. Na ziekmelding in april 2014 met diverse klachten, waaronder psychische aandoeningen, werd appellant ziekengeld toegekend. In het kader van de eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) oordeelde een verzekeringsarts dat appellant belastbaar was met beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige stelde vast dat appellant nog 82,68% van zijn maatmaninkomen kon verdienen.
Het UWV beëindigde daarom per 8 mei 2015 het recht op ziekengeld. Appellant maakte bezwaar en beroep, maar dit werd ongegrond verklaard. Ook na een nieuwe ziekmelding in september 2015 en een hernieuwde beoordeling door een verzekeringsarts, werd het recht op ziekengeld per 26 oktober 2015 beëindigd. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en oordeelde dat de medische en arbeidskundige onderbouwing juist en zorgvuldig was.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, met name over onderschatting van psychische klachten en tinnitus. De Raad volgde het UWV en de rechtbank en vond geen aanleiding tot het inschakelen van een deskundige of het aannemen van een urenbeperking. De medische gegevens en rapporten boden onvoldoende grond voor een ander oordeel. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraken en wees de hoger beroepen af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld omdat hij meer dan 65% van zijn loon kan verdienen.