ECLI:NL:CRVB:2018:1184
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek immateriële schadevergoeding wegens onrechtmatige bijstandsmaatregelen
Appellant ontving bijstand en werd geconfronteerd met meerdere onrechtmatige maatregelbesluiten van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, die achteraf werden ingetrokken en waarvoor de bijstand werd nagekomen. Appellant vorderde immateriële schadevergoeding wegens psychische klachten en een inbreuk op zijn privéleven.
De Raad toetste het verzoek aan het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht en het overgangsrecht van de Wet nadeelcompensatie. Hoewel de besluiten onrechtmatig waren, stelde de Raad vast dat appellant onvoldoende causaal verband had aangetoond tussen de onrechtmatige besluiten en zijn medische klachten. De medische stukken toonden geen vaststelling van een dergelijk verband.
Voorts oordeelde de Raad dat de niet-tijdige uitbetaling van bijstand niet als een ernstige inbreuk op het privéleven kon worden aangemerkt die een aantasting van de persoon rechtvaardigt. De omstandigheden waren niet uitzonderlijk en de gevolgen niet onomkeerbaar. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen wegens ontbreken van causaal verband en onvoldoende ernstige inbreuk op het privéleven.