ECLI:NL:CRVB:2018:1153
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor administratief werk bevestigd
Appellante, werkzaam als administratief medewerkster, meldde zich ziek met bekkenklachten en later klachten aan haar linkerarm en rug. Het UWV beëindigde haar Ziektewetuitkering per 5 januari 2016 na een medisch onderzoek waarin zij geschikt werd geacht voor haar eigen werk. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen objectivering van haar klachten was.
In hoger beroep stelde appellante dat niet alle behandelaars waren geraadpleegd en dat haar klachten wel degelijk geobjectiveerd waren, verwijzend naar een fysiotherapeutisch verslag. De Raad liet dit niet doorwegen, omdat ook dit verslag geen medische objectivering bood en de klachten geen structurele belemmering vormden voor administratief werk.
De Raad oordeelde dat appellante op de peildatum geschikt was voor haar eigen werk en dat de beëindiging van de uitkering terecht was. Het feit dat zij nog onder behandeling is, bood geen grond voor een ander oordeel. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geschikt is voor haar administratieve werk en de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd.