ECLI:NL:CRVB:2018:1105
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 35-45%
Appellante was sinds 2003 wegens psychische klachten arbeidsongeschikt en ontving een WAO-uitkering met een aanvankelijke mate van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Na herbeoordelingen in 2007 en 2013 werd haar uitkering verlaagd op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) die beperkingen vaststelde, maar haar toch in staat achtte om bepaalde functies te verrichten met begeleiding bij vervoer.
De rechtbank Overijssel vernietigde in eerste aanleg het besluit van het UWV wegens een motiveringsgebrek, waarna het UWV een nieuw besluit nam dat het bezwaar van appellante ongegrond verklaarde. De rechtbank verklaarde het beroep daarop ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde.
In hoger beroep stelde appellante dat haar psychische beperkingen, met name angst om zich buitenshuis te begeven, onvoldoende waren meegenomen, en dat zij ook met begeleiding niet in staat zou zijn om de geselecteerde functies te verrichten. De Raad oordeelde echter dat de FML en medische rapporten, waaronder die van psychiater Van Laarhoven, voldoende rekening hielden met haar beperkingen. Ook werd overwogen dat haar situatie sinds 2007 niet ongewijzigd was en dat de toename van klachten in 2015 leidde tot een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse.
De Raad concludeerde dat appellante met gebruikmaking van vervoersvoorzieningen de functies kan vervullen en dat het UWV terecht haar uitkering heeft verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de WAO-uitkering naar een arbeidsongeschiktheid van 35-45% wordt bevestigd.