Uitspraak
17 2996 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand en was mede-eigenaar van een appartement in Turkije, dat zij na het overlijden van haar moeder erfde en later verkocht. Het college trok haar bijstand in vanwege onvoldoende informatie over haar buitenlandse vermogen.
Appellante vroeg opnieuw bijstand aan, maar verstrekte niet tijdig de gevraagde documenten over de waarde, verkoop en huurinkomsten van het appartement. Het college stelde haar aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 4:5 Awb Pro.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het college terecht de aanvraag buiten behandeling stelde omdat essentiële financiële gegevens ontbraken en appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij niet over deze gegevens kon beschikken.
De Raad verwierp de bezwaren van appellante en stelde vast dat het college redelijk en bevoegd handelde. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De aanvraag bijstand is terecht buiten behandeling gesteld wegens het niet tijdig verstrekken van benodigde vermogensgegevens.