ECLI:NL:CRVB:2018:106
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J. Kraan
- J.J.T. van den Corput
- H. Benek
- Rechtspraak.nl
Ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid na ziekte zonder strijd met détournement de pouvoir
Appellante was sinds 2007 werkzaam bij de gemeente en viel in januari 2014 uit wegens psychische en lichamelijke klachten. Uit arbeidsdeskundig onderzoek bleek dat zij haar functie niet meer kon vervullen en dat passend werk binnen en buiten de gemeente niet beschikbaar was. Het re-integratietraject stagneerde mede door het niet nakomen van sollicitatieafspraken door appellante, waarna zij zich volledig ziek meldde.
Het UWV concludeerde in december 2015 dat appellante volledig arbeidsongeschikt was en kende haar een WGA-uitkering toe. Het college verleende haar op grond van artikel 8:4 van Pro de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente eervol ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid per 13 januari 2016. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellante dat haar arbeidsongeschiktheid het gevolg was van pesterijen door haar leidinggevende en dat het college het ontslagbevoegdheid misbruikte in het kader van bezuinigingen. De Raad oordeelde dat deze stellingen onvoldoende waren onderbouwd en niet aannemelijk waren. Het college had voldoende re-integratie-inspanningen geleverd en handelde niet in strijd met het verbod van détournement de pouvoir.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het ontslagbesluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.