Uitspraak
29 april 2016, 15/6618 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een tijdelijke maatwerkvoorziening in de vorm van passende maatschappelijke opvang. Het college wees dit verzoek bij besluit van 24 april 2015 af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 1 oktober 2015, gebaseerd op artikel 1.2.2 van de Wmo 2015.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond, stellende dat appellante geen aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Appellante ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad volgde appellante niet in haar standpunt en verwees naar zijn eerdere uitspraak van 22 februari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1). Vreemdelingen zoals appellante vallen niet onder de definitie van artikel 1.2.2, eerste lid, Wmo 2015 en zijn ook niet gelijkgesteld aan Nederlanders op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd op 27 februari 2017 in het openbaar uitgesproken door N.R. Docter, in aanwezigheid van griffier J.W.L. van der Loo.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015.