Uitspraak
29 april 2016, 15/6622 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een tijdelijke maatwerkvoorziening in de vorm van passende maatschappelijke opvang. Dit verzoek werd door het college op 23 april 2015 afgewezen en het bezwaar daartegen werd op 29 september 2015 ongegrond verklaard, gebaseerd op artikel 1.2.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten ongegrond, met verwijzing naar het koppelingsbeginsel in de Wmo 2015 dat vreemdelingen zonder verblijfsrechtelijke status uitsluit van aanspraak op dergelijke voorzieningen. Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel recht zou hebben op een maatwerkvoorziening, maar de Centrale Raad van Beroep verwijst naar haar eerdere uitspraak van 22 februari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1) en bevestigt dat appellant geen gelijkstelling met een Nederlander heeft en dus geen aanspraak kan maken op voorzieningen uit hoofde van de Wmo 2015.
De Raad oordeelt dat de rechtbank terecht het beroep ongegrond heeft verklaard en bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de Wmo 2015. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de maatwerkvoorziening voor appellant op grond van artikel 1.2.2 Wmo 2015.