Uitspraak
29 april 2016, 15/5867 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een tijdelijke maatwerkvoorziening in de vorm van passende maatschappelijke opvang. Het college wees dit verzoek bij besluit van 17 april 2015 af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 4 september 2015, gebaseerd op artikel 1.2.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond, met verwijzing naar het koppelingsbeginsel in artikel 1.2.2 Wmo 2015, dat vreemdelingen zonder verblijfsrecht geen aanspraak geeft op een maatwerkvoorziening. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat appellant niet valt onder de categorieën van artikel 1.2.2 Wmo 2015 en ook niet gelijkgesteld is aan een Nederlander volgens het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De Raad verwees naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:CRVB:2017:1) en bevestigde dat appellant geen recht heeft op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt dan ook bevestigd.
Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak is gedaan door N.R. Docter, met J.W.L. van der Loo als griffier, op 27 februari 2017.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de maatwerkvoorziening voor appellant op grond van artikel 1.2.2 Wmo 2015.