Uitspraak
29 april 2016, 16/230 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, verzocht om maatschappelijke opvang op grond van de Wmo nadat hij was geweigerd toegang tot opvang in een Vluchthaven (VBL).
Het college wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit besluit, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat opvang in een VBL als een voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt. Hoewel appellant stelde niet tot de VBL te worden toegelaten, oordeelde de Raad dat dit bezwaar bij de vreemdelingenrechter kan worden voorgelegd en dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hierover beslist.
Daarom slaagt het hoger beroep niet en wordt de eerdere uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag maatschappelijke opvang bevestigd.