ECLI:NL:CRVB:2017:79
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-wonen op uitkeringsadres
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) voor een alleenstaande ouder op een specifiek uitkeringsadres. Naar aanleiding van een anonieme tip startte het college een onderzoek naar haar woonplaats. Diverse onderzoeken, waaronder dossieronderzoek, raadpleging van de BRP, en verklaringen van buurtbewoners, wezen uit dat appellante vanaf mei/juni 2014 niet meer op het uitkeringsadres woonde.
Het college trok de bijstand in en vorderde de onterecht ontvangen bedragen terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde de te beoordelen periode vast van 18 augustus 2014 tot 1 oktober 2014. Appellante stelde dat de waarnemingen niet overtuigend waren, maar de Raad onderschreef de rechtbank en vond dat de overige onderzoeksresultaten voldoende feitelijke grondslag boden.
De Raad benadrukte dat het college de last draagt om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan. De verklaringen van buurtbewoners en gegevens over huisvuilaanbiedingen ondersteunden het oordeel dat appellante niet op het uitkeringsadres woonde. Het incidenteel hoger beroep van het college werd ingetrokken. De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-wonen op het uitkeringsadres.