Uitspraak
8 april 2016, 15/5506 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een vreemdeling zonder gelijkstelling met een Nederlander, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een tijdelijke maatwerkvoorziening in de vorm van passende maatschappelijke opvang. Het college wees dit verzoek bij besluit van 14 april 2015 af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 18 augustus 2015, gebaseerd op artikel 1.2.2 van de Wmo 2015.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond, met verwijzing naar het koppelingsbeginsel in artikel 1.2.2 Wmo 2015, dat vreemdelingen zonder gelijkstelling geen aanspraak geeft op Wmo-voorzieningen. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde in haar uitspraak van 27 februari 2017 dat appellant geen aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. De Raad verwees naar haar eerdere uitspraak van 22 februari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1) en oordeelde dat het beroep ongegrond is. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen aanspraak heeft op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 vanwege het koppelingsbeginsel.