Uitspraak
8 april 2016, 15/5686 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een tijdelijke maatwerkvoorziening in de vorm van passende maatschappelijke opvang. Het college wees dit verzoek bij besluit van 14 april 2015 af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 20 augustus 2015, gebaseerd op artikel 1.2.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond en oordeelde dat appellant geen aanspraak kon maken op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat appellant geen vreemdeling is als bedoeld in artikel 1.2.2, eerste lid, Wmo 2015, noch gelijkgesteld is aan een Nederlander op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De Raad verwijst naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:CRVB:2017:1) en bevestigt dat appellant geen recht heeft op de gevraagde maatwerkvoorziening. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door N.R. Docter en uitgesproken op 27 februari 2017.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de maatwerkvoorziening voor appellant op grond van artikel 1.2.2 Wmo 2015.