Uitspraak
1 april 2016, 15/5505 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een tijdelijke maatwerkvoorziening in de vorm van passende maatschappelijke opvang. Dit verzoek werd door het college afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard op basis van artikel 1.2.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij geen aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Appellante ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat appellante niet valt onder de definitie van vreemdeling die aanspraak kan maken op voorzieningen volgens artikel 1.2.2, eerste lid, Wmo 2015, noch gelijkgesteld is aan een Nederlander. De Raad verwees naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:CRVB:2017:1) en bevestigde dat appellante geen recht heeft op de gevraagde maatwerkvoorziening. De aangevallen uitspraak werd daarmee bevestigd, en er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen aanspraak heeft op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015.