ECLI:NL:CRVB:2017:617

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 februari 2017
Publicatiedatum
22 februari 2017
Zaaknummer
15/5579 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Ziektewet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van beëindiging ZW-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek

Appellant was werkzaam als support medewerker en meldde zich op 28 maart 2010 ziek. Het UWV stelde vast dat appellant per 24 maart 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de WIA-uitkering. Later meldde appellant zich opnieuw ziek vanwege toegenomen klachten en ontving een WW-uitkering.

Na een medisch onderzoek op 5 juni 2014 werd appellant geschikt geacht voor ten minste één van de functies die in het kader van de WIA-beoordeling waren vastgesteld. Het UWV beëindigde daarop de ZW-uitkering per 12 juni 2014. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het onderzoek zorgvuldig was en appellant geschikt was voor genoemde functies.

In hoger beroep voerde appellant aan dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat er wel degelijk significante wijzigingen in zijn beperkingen waren. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen medische onderbouwing had geleverd die aanleiding gaf tot twijfel aan het onderzoek. Het rapport van de verzekeringsarts was inzichtelijk en gemotiveerd. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

De Raad concludeerde dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld omdat hij geschikt is voor ten minste één van de functies die bij de WIA-beoordeling zijn vastgesteld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de ZW-uitkering omdat appellant geschikt is voor ten minste één van de geduide functies.

Uitspraak

15/5579 ZW
Datum uitspraak: 22 februari 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
2 juli 2015, 14/6666 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.S. Worung hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2016. Namens appellant
is verschenen mr. E. Tahitu. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant was werkzaam als support medewerker voor 40 uur per week toen hij zich op 28 maart 2010 ziek meldde. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 24 maart 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat appellant per 24 maart 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant werd met zijn beperkingen in staat geacht functies als productiemedewerker (samenstellen van producten SBC-code 111180), snackbereider (handmatig SBC-code 111071) en medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten SBC-code 111010) te vervullen. Appellant heeft zich op 10 oktober 2013 ziek gemeld wegens toegenomen hart- en psychische klachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
1.2.
Op 5 juni 2014 heeft appellant het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft appellant per 12 juni 2014 geschikt geacht voor tenminste één van de in 1.1 genoemde functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 13 juni 2014 vastgesteld dat appellant per 12 juni 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 5 september 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van
5 september 2014 ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat door de verzekeringsartsen op een voldoende zorgvuldige wijze onderzoek is verricht en dat voldoende inzichtelijk is gemotiveerd dat op 12 juni 2014 geen significante wijziging in de beperkingen en functionele mogelijkheden van appellant waren ten opzichte van de beoordeling in het kader van de Wet WIA. De rechtbank heeft dan ook geen reden te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Dit betekent dat appellant in staat moet worden geacht ten minste één van de in het kader van de Wet WIA beoordeling geduide functies te verrichten.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij zich niet kan verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het Uwv voldoende zorgvuldig onderzoek heeft verricht. Ook is hij van mening dat er wel degelijk significante wijzingen zijn in zijn beperkingen en functionele mogelijkheden ten opzichte van de Wet WIA-beoordeling. Appellant kan zich dan ook niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat hij in staat moet worden geacht tenminste één van de in het kader van de Wet WIA beoordeling geduide functies te verrichten.
3.2.
In verweer heeft het Uwv verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.
4.2.
Aangezien appellant de gronden van het hoger beroep niet heeft voorzien van een onderbouwing met behulp van medische gegevens bestaat er geen aanleiding om het medisch onderzoek onzorgvuldig of onvolledig te achten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 5 september 2014 op inzichtelijke wijze en gemotiveerd aangegeven dat en waarom appellant geschikt wordt geacht voor één van de geduide functies. De overwegingen van de rechtbank zoals neergelegd in de aangevallen uitspraak worden geheel onderschreven.
5. De overwegingen in 4.1 en 4.2 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2017.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) R.H. Budde

SG