ECLI:NL:CRVB:2017:578
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toegenomen arbeidsongeschiktheid en uitkeringsverhoging bij verschillende ziekteoorzaken
Appellant ontvangt sinds augustus 1991 een WAO-uitkering, laatstelijk vastgesteld op een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Na een hartinfarct in juli 2013 meldde appellant een verslechterde gezondheidstoestand. Het Uwv stelde vast dat de arbeidsongeschiktheid was toegenomen, maar weigerde verhoging van de uitkering omdat de toename niet voortkwam uit dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor de uitkering oorspronkelijk was toegekend.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat morbide obesitas weliswaar een risicofactor is voor hartproblemen, maar niet als directe ziekteoorzaak kan worden aangemerkt. De Raad bevestigt dit oordeel en wijst het beroep van appellant af, omdat de toegenomen arbeidsongeschiktheid niet voortvloeit uit dezelfde oorzaak als de oorspronkelijke uitkering.
Appellant verzocht tevens om inschakeling van een onafhankelijke deskundige, maar de Raad zag hiervoor geen aanleiding. Ook het verzoek tot vergoeding van gederfde wettelijke rente en proceskosten werd afgewezen. De uitspraak bevestigt de aangevallen beslissing en benadrukt dat een risicofactor niet gelijkgesteld kan worden aan een ziekteoorzaak in de zin van artikel 39a van de WAO.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot verhoging van de uitkering en vergoeding van wettelijke rente wordt afgewezen.