Uitspraak
6 november 2015, 15/4515 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellanten, vreemdelingen zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, maakten bezwaar tegen het stopzetten van leefgeld in het kader van opvang in de Vluchthaven te Amsterdam.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ontvankelijk en oordeelde dat de e-mail waarin het leefgeld werd stopgezet een besluit was. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat er geen plicht tot opvang bestond en daarmee ook geen plicht tot verstrekking van leefgeld.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat opvang in een vrijheidsbeperkende locatie (VBL) als voldoende voorziening geldt en dat daarmee is voldaan aan de positieve verplichting uit het internationaal recht om opvang te bieden. Hierdoor bestaat geen noodzaak voor aanvullende opvang of leefgeld op grond van de Wmo.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de aanvraag maatschappelijke opvang en leefgeld bevestigd.