ECLI:NL:CRVB:2017:518

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 februari 2017
Publicatiedatum
15 februari 2017
Zaaknummer
15/7330 WMO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Vw 2000Art. 11 Vw 2000Wet maatschappelijke ondersteuning
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang vreemdeling op grond van de Wmo wegens voorliggende voorziening VBL

Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, ontving opvang in de Vluchthaven te Amsterdam. Het college van burgemeester en wethouders wees een aanvraag voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat betrokkene recht had op opvang volgens de Wmo.

Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voldoende en aan de Wmo voorliggende voorziening geldt, die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt. Het standpunt van betrokkene dat het college een toezegging had gedaan voor opvang aansluitend aan de Vluchthaven, werd verworpen wegens gebrek aan ondubbelzinnige toezeggingen.

De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van het college ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2017.

Uitkomst: Het beroep van het college wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, waardoor betrokkene geen recht heeft op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo.

Uitspraak

15/7330 WMO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
2 oktober 2015, 14/7367 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
[betrokkene] (betrokkene)
PROCESVERLOOP
Het college heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting in de zaken 15/7330, 15/7464, 15/6741, 15/6802, 15/6803, 15/6838, 15/7332, 15/7472, 15/7474, 15/6853 en 15/7269 heeft gevoegd plaatsgehad op 2 november 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Betrokkene is een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) die, op grond van het in de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 opgenomen koppelingsbeginsel, ten tijde hier van belang geen aanspraak had op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen.
1.2.
Het college heeft betrokkene vanaf 29 november 2013 opvang verleend in de Vluchthaven aan de Havenstraat te Amsterdam (Vluchthaven).
1.3.
Bij besluit van 16 juni 2014 heeft het college bepaald dat betrokkene niet in aanmerking komt voor opvang als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
1.4.
Bij besluit van 15 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft het college het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 16 juni 2014 herroepen en bepaald dat betrokkene recht heeft op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo overeenkomstig de bed-bad-broodvoorziening.
3. Het college heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De beroepsgrond van het college dat de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang doet vervallen, slaagt. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3803, heeft overwogen mag ervan worden uitgegaan dat een vreemdeling als betrokkene van de opvang in een VBL gebruik kan maken, dat de opvang in een VBL in het algemeen aangemerkt kan worden als een voldoende voorziening in het bieden van opvang en dat met plaatsing in een VBL voldoende invulling wordt gegeven aan de uit het internationaal recht voortvloeiende positieve verplichting opvang te bieden. Daarmee is de opvang in een VBL een aan de Wmo voorliggende voorziening die de noodzaak van opvang op grond van die wet wegneemt.
4.2.
Het standpunt van betrokkene dat het college is voorbijgegaan aan haar eigen beslissing althans toezegging om aansluitend aan de opvang in de Vluchthaven aan betrokkene opvang te verlenen, slaagt niet. Uit de door betrokkene overgelegde stukken blijkt niet van uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen, die bij betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Ook overigens blijkt niet van een dergelijke beslissing of toezegging.
4.3.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van het college slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Aan een beoordeling van de andere gronden van het hoger beroep wordt niet toegekomen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep ongegrond verklaren.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door N.R. Docter, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2017.
(getekend) N.R. Docter
(getekend) M.S.E.S. Umans

RB