Uitspraak
18 september 2015, 14/7407 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, had opvang ontvangen in een Vluchthaven te Amsterdam. Hij vroeg om continuering van deze opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), maar het college wees deze aanvraag af. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelt appellant dat hij een onvoorwaardelijk recht op Wmo-opvang heeft. De Centrale Raad van Beroep verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voldoende voorziening geldt en dat deze opvang de positieve verplichting uit internationaal recht vervult.
De Raad concludeert dat de opvang in een VBL een voorziening is die aan de Wmo voorafgaat en daardoor de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Daarom wordt het beroep van appellant ongegrond verklaard en wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo.