ECLI:NL:CRVB:2017:4471
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vergoeding kosten bezwaar bij twee gelijktijdige verzoeken bijzondere bijstand
Appellant diende op 20 en 24 mei 2015 twee aanvragen om bijzondere bijstand in voor kosten rechtsbijstand. Het college stelde deze aanvragen aanvankelijk buiten behandeling, maar verklaarde later de bezwaren gegrond en nam de aanvragen alsnog in behandeling. Voor de kosten van bezwaar kende het college een vergoeding toe met een wegingsfactor van 0,5 per zaak, omdat het meende dat de bezwaren een mindere werkbelasting voor de gemachtigde opleverden.
De rechtbank Amsterdam verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank ten onrechte een wegingsfactor van 0,5 toepaste. De Raad oordeelde dat het college dit standpunt in hoger beroep had verlaten en dat de twee bezwaarschriften als samenhangende zaken moeten worden beschouwd volgens artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
De Raad stelde vast dat de bezwaren gelijktijdig waren ingediend, door dezelfde gemachtigde werden behandeld en dat de werkzaamheden nagenoeg identiek waren. Het beroep op het verbod van reformatio in peius werd verworpen omdat appellant er niet in een nadeliger positie door kwam. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de bestreden besluiten voor zover het de vergoeding van kosten in bezwaar betreft, en bepaalde dat de rechtsgevolgen van deze besluiten op een andere wettelijke grondslag in stand blijven.
Daarnaast veroordeelde de Raad het college in de proceskosten van appellant en stelde de vergoeding voor rechtsbijstand in beroep en hoger beroep vast op in totaal € 990,-. Het door appellant betaalde griffierecht van € 169,- werd eveneens vergoed.
Uitkomst: De vergoeding van kosten bezwaar wordt aangepast door de twee gelijktijdige bezwaarschriften als samenhangende zaken te beschouwen, met een totale vergoeding van € 490,- en een proceskostenvergoeding van € 990,-.