Uitspraak
18 september 2015, 14/6735 en 14/7193 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
6 oktober 2014 (bestreden besluit II) heeft het college de hiertegen gerichte bezwaren ongegrond verklaard.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, kreeg vanaf november 2013 opvang in de Vluchthaven te Amsterdam. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees daarop besluiten af die betrokkene aanspraak gaven op maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en bepaalde dat betrokkene recht had op Wmo-opvang, maar vernietigde ook een besluit waarbij een aanvraag tot voortzetting van opvang na ontruiming van de Vluchthaven werd afgewezen. Zowel betrokkene als het college gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt. Hierdoor werd het hoger beroep van het college gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd. De beroepen van betrokkene en het college werden ongegrond verklaard, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart de beroepen ongegrond omdat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is die Wmo-opvang vervangt.