ECLI:NL:CRVB:2017:4284
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over afwijzing WIA-uitkering wegens juiste motivering in hoger beroep
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep behandeld tegen een besluit van het UWV van 19 februari 2014, waarin aan appellante geen recht op een WIA-uitkering werd toegekend. In een eerdere tussenuitspraak was vastgesteld dat het besluit een onjuiste medische grondslag had omdat de beperkingen van appellante niet volledig waren erkend.
Ter uitvoering van deze tussenuitspraak heeft het UWV nieuwe rapporten van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige ingediend, en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangepast. De Raad heeft deze nieuwe gegevens beoordeeld en geoordeeld dat het UWV hiermee de opdracht uit de tussenuitspraak correct had uitgevoerd.
De Raad concludeerde dat de medische grondslag van het besluit nu deugdelijk is gemotiveerd en dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante minder dan 35% bedraagt, waardoor geen recht op WIA-uitkering ontstaat. Hoewel het besluit in hoger beroep van een juiste motivering is voorzien, vernietigt de Raad het besluit en de aangevallen uitspraak, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand.
Tot slot veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante, inclusief de kosten van het medische rapport en het griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.