ECLI:NL:CRVB:2017:4259
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- E.C.R. Schut
- M. ter Brugge
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstand wegens vermeende gezamenlijke huishouding niet gerechtvaardigd
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd geacht een gezamenlijke huishouding te voeren met M, wat leidde tot beëindiging van haar bijstand per 4 november 2015. Het college baseerde dit op een huisbezoek en verklaringen van appellante.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep betwistte appellante de gezamenlijke huishouding. De Raad oordeelde dat hoewel appellante en M op hetzelfde adres woonden, er geen sprake was van wederzijdse zorg van enige omvang, wat noodzakelijk is voor het criterium gezamenlijke huishouding.
De Raad stelde vast dat de verklaringen van appellante en de bevindingen van het huisbezoek onvoldoende bewijs leverden voor wederzijdse zorg. Ook de zwangerschap van appellante maakte geen verschil, omdat de aard van de relatie en motieven niet relevant zijn voor de beoordeling.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en het besluit tot beëindiging van de bijstand, wees het verzoek om schadevergoeding toe en veroordeelde het college tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de bijstand wegens vermeende gezamenlijke huishouding wordt vernietigd en het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen.