Uitspraak
6 januari 2017, 16/359 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 2002 in dienst bij een gemeentelijke dienst en werd in 2013 ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim. Na afwijzing van bezwaar verzocht appellant in 2015 om herziening van het ontslagbesluit en een vergoeding voor levensonderhoud. Het college Rotterdam wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die herziening rechtvaardigden.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat er oude, verborgen feiten en nieuwe strafrechtelijke uitspraken waren die herziening zouden moeten rechtvaardigen. De Raad oordeelde dat deze feiten en omstandigheden al bekend waren of niet relevant voor het ontslagbesluit en dat de strafrechtelijke uitspraken geen nieuwe feiten opleverden die herziening vereisten.
De Raad bevestigde dat het college zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd had gehandeld en dat het bestreden besluit niet evident onredelijk was. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het ontslagbesluit wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.