ECLI:NL:CRVB:2017:4195
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering pgb wegens niet-girale betalingen en verlaagde vaststelling
Het Zorgkantoor had appellante een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor de jaren 2013 en 2014, maar stelde dit later op nihil vast wegens het niet voldoen aan de verplichting om zorgverleners giraal te betalen. Appellante was het hier niet mee eens en ging in beroep. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat het Zorgkantoor terecht gebruik had gemaakt van zijn bevoegdheid om het pgb te verlagen en terug te vorderen.
In hoger beroep voerde appellante onder meer aan dat zij niet op de hoogte was van de girale betalingsverplichting, dat zij erop mocht vertrouwen dat haar verantwoording correct was omdat eerdere jaren waren goedgekeurd, en dat zij onvoldoende financiële draagkracht had om het terug te betalen bedrag te voldoen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het Zorgkantoor appellante meerdere malen had gewezen op de betalingsverplichting en dat het Zorgkantoor in redelijkheid het pgb op nihil mocht vaststellen.
Verder concludeerde de Raad dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij haar zorgverleners daadwerkelijk had betaald en dat de zorgovereenkomst en het zorgplan niet voldeden aan de wettelijke eisen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat eerdere goedkeuringen geen garantie boden voor latere perioden. De Raad bevestigde dat het Zorgkantoor bevoegd is tot terugvordering van onverschuldigde voorschotten en dat appellante's financiële situatie daaraan niets afdoet.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het vonnis van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het Zorgkantoor is bevoegd tot terugvordering van het pgb wegens niet-girale betalingen.