ECLI:NL:CRVB:2017:4189
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WIA-uitkeringsbesluit na medisch geschil over functionele mogelijkheden
Appellant, voormalig flensmonteur, meldde zich ziek vanwege rugklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat appellant voor 37% arbeidsongeschikt was, later herzien naar 41,28% na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de medische onderbouwing van het UWV voldoende was en er geen aanwijzingen waren voor geen benutbare mogelijkheden.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stelling dat hij geheel niet kan werken, onderbouwd met medische verklaringen van een psychiater, anesthesioloog en neuroloog. De Raad beoordeelde deze stukken en concludeerde dat zij geen twijfel wekken over de juistheid van de verzekeringsarts en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 5 augustus 2015 adequaat zijn.
De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat het UWV voldoende heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn voor appellant. Het hoger beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit dat appellant recht heeft op een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 41,28%.